proceskostenIn twee vorige blogs schreven wij over de vergoeding van de gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten in verband met een civiele procedure.

Ook een bestuursrechtelijke procedure kost geld, maar net als in het civiele recht kent ook het bestuursrecht een forfaitaire vergoeding van (een deel van) de gemaakte kosten. Hoe zit het met deze kosten? Kan het deel van de bestuursrechtelijke proceskosten dat niet vergoed wordt, succesvol als schade worden gevorderd bij de civiele rechter?

Forfaitaire vergoeding

Artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van de procedure heeft moeten maken. Niet alle kosten worden dan vergoed; net als in de civiele procedure kent het bestuursrecht een forfaitaire vergoeding van (een deel van) de gemaakte kosten.

Besluit proceskosten bestuursrecht

Deze forfaitaire regeling is neergelegd in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). In het Bpb is in artikel 1 aangegeven welke soort kosten voor vergoeding in aanmerking komen, zoals de kosten voor bijvoorbeeld professionele rechtsbijstand (zoals rechtsbijstand van een advocaat), kosten van een getuige, deskundige of tolk en de reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende. In het Bpb is verder een puntensysteem opgenomen, aan de hand waarvan de hoogte van de vergoeding wordt berekend.

Bijzondere gevallen

Dat bedrag komt vaak – zo niet altijd – niet in de buurt van de werkelijk gemaakte kosten. In sommige gevallen kan de bestuursrechter wel een hogere dan de forfaitaire vergoeding van de kosten toekennen, maar dan moet het gaan om ‘bijzondere gevallen’. Daarvan is niet snel sprake. Het moet echt gaan om uitzonderlijke, schrijnende gevallen waarbij strikte toepassing van de regeling evident onrechtvaardig zou zijn. Een hogere vergoeding is bijvoorbeeld aangewezen als het bestuursorgaan tegen beter weten in een onjuist standpunt heeft gehandhaafd, maar daar wordt zeer terughoudend mee omgegaan. Zo is het enkele feit dat een bestuursorgaan een onjuiste uitleg heeft gegeven aan bijvoorbeeld een verdrag geen reden voor verhoging van de proceskostenvergoeding. Bovendien worden ook dan niet alle proceskosten vergoed.

Aanvullende rechtsbescherming bij de civiele rechter?

Zou nu het ‘tekort’ aan proceskostenvergoeding – in een zaak waarin het bestuursorgaan ongelijk heeft gekregen – op grond van een onrechtmatige daad succesvol als schade kunnen worden gevorderd bij de civiele procedure?

Het antwoord op deze vraag is vrij kort: in beginsel niet. Artikel 8:75 Awb bepaalt namelijk dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is om in een bestuursrechtelijke procedure een proceskostenveroordeling uit te spreken. Met de zinsnede dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is, heeft de wetgever bedoeld het oordeel over de proceskosten bij uitsluiting (dus exclusief) bij de bestuursrechter te laten. Dat betekent dat de burgerlijke rechter de partij die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure vordert, niet-ontvankelijk moet verklaren, ook als die partij deze vordering baseert op een onrechtmatige daad.

Een aanvullende vergoeding kan dan ook niet via de burgerlijke rechter op grond van een onrechtmatige daad worden verkregen. Dit uitgangspunt lijdt alleen uitzondering als de belanghebbende zijn aanspraak op vergoeding van zijn kosten redelijkerwijs niet op de voet van artikel 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van artikel 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen.

En bij een derde?

Maar wat nu als een derde die niet bij partij was bij de bestuursrechtelijke procedure, wel aansprakelijk kan worden gehouden. Kan het tekort dan ook niet van de derde succesvol worden gevorderd bij de burgerlijke rechter? Daarover gaat het arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014.

Arrest Hoge Raad

Het ging in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. Een eigenaar van een aantal panden in Groningen verhuurde kamers aan prostituees met aan deze eigenaar verleende exploitatievergunningen. Het Bureau Bibob (een onderdeel van de Staat) had de gemeente Groningen geadviseerd over deze vergunningen, waarna de gemeente Groningen de vergunningen had ingetrokken. Nadat de eigenaar met succes het intrekkingsbesluit had aangevochten, wilde hij de door hem gemaakte kosten in verband met deze bestuursrechtelijke procedure (ruim € 100.000) vergoed zien. De eigenaar vordert van zowel de gemeente Groningen als de Staat vergoeding van onder andere deze schade. De eigenaar stelt dat de Staat (Bureau Bibob) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en vordert de schade op grond van artikel 6:96 lid 2 BW (Renee Wieringa schreef eerder een blog over de kosten die op grond van artikel 6:96 lid 2 BW kunnen worden gevorderd).

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat de Staat en de gemeente hoofdelijk verbonden zijn (artikel 6:102 BW). Dat betekent dat zowel de Staat als de gemeente dezelfde schade moeten vergoeden en dat de schuldeiser (in dit geval de eigenaar) bij zowel de Staat als de gemeente vergoeding van de gehele schade kan vorderen. Echter, betaalt bijvoorbeeld de Staat vervolgens geheel de aan de eigenaar toegekende schadevergoeding, dan kan de eigenaar de vergoeding natuurlijk niet nog een keer bij de gemeente opeisen.

De gemeente was wel partij bij de (bestuursrechtelijke) procedure over het intrekkingsbesluit, maar de Staat niet. De Hoge Raad oordeelt dat artikel 8:75 Awb in zo’n geval niet in de weg staat aan verhaal van het ‘tekort’ op de hoofdelijk aansprakelijke derde (in dit geval de Staat) die geen partij was bij het aan de bestuursrechter voorgelegde geschil.

Let op!

Als er kosten worden gemaakt in verband met een bestuursrechtelijke procedure, vorder de kosten dan ook in die procedure. Deze kosten (of het “tekort”) kun je later in beginsel niet vergoed krijgen door een procedure te starten bij de civiele rechter. Dat is alleen anders in een klein aantal gevallen, maar daarvan is niet snel sprake.

Bron: Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1212

Zie ook de blogberichten